De kinderstoel

Hij had het al gezien voordat hij de lobby binnenkwam.
‘De lamp flikkert,’ zei Janneke, de receptioniste.
Peter keek omhoog.
‘Misschien wil iemand iets in morsecode zeggen, een geest ofzo,’ zei hij vrolijk en trommelde met zijn handen een ritme op de balie. Janneke negeerde hem.
‘Je bent te laat,’ zei ze.
‘Ik kon mijn autosleutels niet vinden.’ 
Hij trok zijn handen terug en dacht aan hoe hij thuis bij zijn kapstok lang naar een oude jas van Sylvia had staan kijken.
‘Het is al de derde keer deze maand.’ Ze stond op, als teken dat hij haar plek kon overnemen. 
‘Ik loop – ik bedoel- ik pak nog even een trap. Voor de lamp, ik vervang ‘m vannacht wel,’ verduidelijkte hij.
‘Je doet maar.’ Terwijl ze wegliep, zag hij hoe haar paardenstaart heen en weer zwiepte. 
Peter voelde zijn autosleutels in zijn lies prikken. Hij had er een paar weken geleden nog een foto van de kleine Jimmy aan gehangen.

Eerst keek hij een beetje televisie en maakte zijn nagels uitgebreid schoon met een paperclip. Daarna zag hij op de balie een lieveheersbeestje lopen. Voorzichtig liet hij het insect buiten vrij. Het was een heldere nacht.
Vervolgens probeerde Peter wat te lezen in een tijdschrift, maar hij had moeite zich te concentreren. Zijn spijkerbroek zat te strak en kroop telkens tussen zijn billen. Eens in de zoveel tijd wipte hij omhoog om de boel te herschikken. Elke keer als hij weer neerkwam op zijn bureaustoel, klonk een doffe plof door de hal. Rond middernacht pakte hij zijn zaklantaarn en liep naar de eerste verdieping. Daar liet hij, terwijl hij zijn ronde maakte, zijn vingers langs de muurtegels gaan. Peter wist precies op welke plek een tegel loszat. De koelte van het steen en het tikkende geluid van de tegels kalmeerden hem. 
Op de tweede en derde etage ging hij verder. Radiatoren laag zetten, nooduitgangen controleren, lamp bij het zitje uit, een verloren pen oppakken van de vloer. In een toilet op de derde moest hij poepen. Voor een spiegel probeerde hij met water zijn kruin te fatsoeneren. 
Op de vierde zaten de enige gasten. Een echtpaar, wist hij. Peter drukte zijn oor tegen de deur van kamer 406.
‘Hoezo, ik zit hier niet bij de psychiater?’ riep een schrille vrouwenstem. De mannenstem was slecht te verstaan. Het enige wat Peter opving was het woord therapie.
‘Sinds wanneer is het verboden om over je gevoel te praten, Simon?’ Gestommel, de stem van de vrouw ging omhoog. ‘Ja loop maar weg! Altijd als het ergens over gaat, moet meneer ineens opstaan! Hier, gaat je koffer ook mee?’ 
Er klonk een klap tegen de deur. Snel liep Peter richting het trappenhuis.

Na twee films te hebben gekeken maakte hij een ronde door het schemerige restaurant. De lege stoelen leken blauw door het licht van de maan. Zijn oog viel op een stoffige, houten kinderstoel met een eetblad ervoor. Voorop zat een kleine stang met wat speelkralen. Hij haalde een doekje en begon de stoel schoon te maken. Van het bukken kreeg hij het warm. Die rotbroek ook. Peter keek om zich heen, alsof er iemand in de ruimte zou kunnen zijn. Toen trok hij zijn broek uit en legde deze naast de kassa. Hij wreef even over zijn blote benen. 
Even later was de kinderstoel schoon. Hij zag nu pas dat de kralen gekleurd waren: rood, geel en blauw. De stoel was van grenen, precies zoals de stoel van Jimmy was geweest. Peter tilde de stoel op, zette hem weer neer. Het was een robuust ding. Hij tilde zijn been omhoog en stak deze door een van de gaten in de kinderstoel. Vervolgens het andere been. Zijn beenharen streken langs het hout. Hij ging door zijn knieën en liet voorzichtig zijn billen zakken. Hij zat. Niet heel comfortabel, maar toch. Zijn armen kon hij laten rusten op het plankje voor zich. Glimlachend draaide hij aan de kralen. 
Peter schrok op van een piepend geluid. Gauw drukte hij op het knopje van zijn zwarte Casio horloge. Hij had het ding cadeau gekregen van Sylvia, op zijn dertigste verjaardag. Het was tijd voor de laatste ronde, over een half uur zouden de dames van het ontbijt komen. En hij moest de lamp nog vervangen.
Hij tilde zijn billen omhoog en wilde gaan staan. Dat lukte niet. Zijn voeten raakten wel de grond, maar hij kreeg zijn achterwerk niet uit het zitje. Hij bewoog heen en weer. Geen beweging. Het tafelblad was niet omhoog te klappen. Het stoeltje plakte aan zijn rug en kont, niks gaf mee. Hoe hij ook zijn best deed, hij kwam niet uit de stoel. Voorovergebogen met zijn last, als een Sherpa met volle bepakking op een berg, strompelde hij door het restaurant.
Moeizaam bewoog hij zich door de gang naar de kelder, het domein van de conciërge. Het rook er naar spijkers. In een kast vond hij een zaag. Toen hij zich omdraaide stootte hij per ongeluk hard met de stoel tegen een andere kast aan. Nerveus wreef hij over de plek waar hij de kast had geraakt.
‘Komt wel goed,’ mompelde hij.
Peter maakte eerst voorzichtig met de kartels een aanzet in het eetblad, maar kon al gauw snel doorzagen. Het bleek lastig om tegelijkertijd te staan en te zagen, het kostte hem veel kracht. Hij besloot op de grond te gaan liggen en het zo te proberen. Hij zag hoe zijn onderbroek nat was van het zweet en zich vermengde met het zaagsel. Niet te hard zagen, geduld moest hij hebben. Peter dacht aan zijn vader. Laat de zaag het werk doen, de kracht van de zaag komt uit de zaag zelf, zei zijn vader altijd. Dat soort dingen had hij Jimmy ook willen leren als hij niet –  
Hij schoot uit en de kartels boorden zich in het vlees van zijn dijbeen. Niet heel diep, maar het bloedde wel. Peter vloekte. 
In de keuken bond hij een theedoek om zijn been om het bloeden te stelpen. Hij hoorde buiten de vogels fluiten. Ineens besefte Peter dat al dit gezaag veel te lang zou gaan duren, met alle risico’s van dien. 
Hij streek door zijn haar. Van zijn laatste ronde door het hotel zou nu niets meer komen.
Peter kende de code van de koelcel, Janneke had het hem in een gulle bui verteld. Het was haar geboortedag, eenendertig-twaalf. Eerst maakte hij een vergissing, zijn vinger slipte weg omdat er nog wat bloed op zat, maar toen kon hij de deur openen. Soms, als hij honger had, pikte hij hier wat hamburgers die hij stiekem in de keuken bakte en met een zacht broodje opat in de lobby. Peter wist dat er in het rek aan de linkerkant, onder de kratten met brood, een blik met boter stond. Hij opende het blik en schepte er een hele hand boter uit en smeerde de smurrie over zijn benen, zijn billen en rond zijn middel. Hij kreeg kippenvel. 
Wrikken. Niks. 
Hij hinkte terug naar de deur van de koelcel en klemde daar de kinderstoel tussen de deurpost en een rek. Hij rukte en trok. Geen beweging. 
Geduld, dacht Peter, niet opgeven. Wees scherp. Opletten. 
Maar hij lette niet op, hij gleed uit, hij wou zich vastklampen aan een rek maar trok in zijn val een bak met champignons mee dat met een luid klingel-klangel op de betonnen vloer viel, zelf landde hij hard op de grond, hij kon de houten kinderstoel horen kraken onder zijn gewicht, een leuning van de stoel boorde zich in zijn zij, door zijn val begon een heel rek te wankelen, een aluminium bak kantelde, een regen gemarineerde gehaktballen viel ploppend over hem heen, de saus en ballen kwamen overal, in zijn gezicht, op zijn onderbroek, in de wond op zijn been, het brandde, hij schreeuwde het uit, hij kon de ketjap proeven, zijn haren plakten op zijn voorhoofd en zonder dat Peter het in de gaten had rolden de tranen over zijn wangen. 
In de lobby kwamen de dames van het ontbijt binnen. Zij merkten op dat de lamp flikkerde.