Waardig

Tijdens de eerste golf moest ik, na al die jaren, weer aan hem denken.
Het was toen Marianne Zwagerman oude en kwetsbare mensen vergeleek met dor hout. Er stond: ‘Het dorre hout wordt gekapt, misschien een paar maanden eerder dan zonder virus.’ 
Ik was ineens weer zeventien.

In de zomer van 1995 was er veel aan de hand. Het was bloedheet, Kirsten was met Martijn naar bed geweest en ik nog met helemaal niemand, Hakuna Matatawerd de hele tijd op de radio gedraaid, ik moest het vak Nederlands herkansen en als ik niet zou slagen, zou mijn tussenjaar naar Londen niet doorgaan. Ik nam een vakantiebaan om zoveel mogelijk geld te sparen.

Het bejaardencentrum zag eruit als een schoenendoos. Ik stond onder toeziend oog van Marga, een in mijn ogen stokoude vrouw van tweeënveertig met keurig opgestoken haar. Elke salontafel, elke douchestoel, elke rollator werd in haar aanwezigheid blinkend schoon.
Haar wil was wet: praten tijdens je werk doe je niet, spiegels laat je glimmen met krantenpapier, een Perzisch tapijtje moet je buiten uitkloppen en op een ladder sta je met je knieën tegen elkaar, om te voorkomen dat een nieuwsgierige bewoner onder je uniform kan kijken.

Op een dag had een meneer een ongelukje gehad. Marga ruimde het efficiënt op, de badkamer leek weer als nieuw, maar niet voordat ze de hele afdeling op de hoogte had gebracht van wat er was gebeurd. 
De man droeg een gilet met daarboven een strikje. Hij negeerde Marga beleefd en gaf mij een lijst met te bezoeken musea. Voor als ik in Londen zou zijn. 
‘s Avonds schreef ik mijn dagboek vol over hoeveel ik al van de wereld wist, afgezien van de seks dan, en hoe klaar ik was voor mijn nieuwe leven. 

In de laatste week moest ik van Marga een vloer schrobben in een lange, onbewoonde gang. Terwijl ik bezig was, hoorde ik vanuit een van de kamers een zacht gekerm. 
Ik keek. De kamer was leeg, op een bed na. Er lag iemand in. Ik herkende hem, het was de man van het ongelukje. Zijn gezicht hing scheef. 
Moest ik niet iets doen? 
Ik vond Marga vlakbij de recreatiezaal.
‘Aflopende zaak,’ was het enige wat ze zei. Ze wreef de koffiekan tot hij blonk. 

Van de rest van die middag weet ik niet veel meer. Wel dat het stil was in de gang, op het gekreun van de man en het soppende geluid van mijn dweil na. 
Een dag later was de kamer leeg en moest ik van Marga het beddengoed afhalen.