Sla

Het was 1986 en ik had net de leesmap ontdekt. Iedere week, op dinsdagavond, kwam de leesmapman aan de deur die met een ‘Alstublieft!’ de nieuwe map gaf. Met een ‘Dank u wel!’ in dezelfde toonsoort nam hij de oude weer aan, die haastig door mijn moeder bij elkaar geraapt was van de wc. 
De Kuifje, de Tina en de Donald Duck waren bestemd voor ons, de kinderen. Maar ik ontdekte al gauw andere tijdschriften, die voor een achtjarige ongeschikt waren en daarom uitermate geschikt. Interessant waren de Aktueel (Rode Oortjes!), De Nieuwe Revu (Joop Klepzeiker!) en de Panorama. 
De Panorama vond ik boeiend omdat er veel verhalen in stonden van echte mensen die hele erge dingen meemaakten. 

Op een dag zei mijn moeder dat we voorlopig geen sla zouden eten. Er bleek in een ver land, in een stad met een moeilijk uitspreekbare naam, iets met een fabriek mis te zijn gegaan. In mijn hoofd zag ik hoe een vieze, groene wolk boven die fabriek hing en langzaam richting Nederland kwam zweven. Elke dag controleerde ik of de mist al boven ons huis hing.
In de Panorama stond dat veel mensen bang waren. Ik las over een man die niet meer naar buiten durfde, nooit meer wou eten en zich niet meer waste.
Thuis aten we een paar weken geen sla maar gewoon iets vaker macaroni.

Op de wc bladerde ik in de Privé en de Story. Ik kende al die mensen niet, maar ze hadden interessante namen zoals Gert en Hermien, Sjoukje Hooymaayer en Adèle Bloemendaal. En Carola van BZN, dat vond ik een hele mooie vrouw.
In de Privé las ik dat Carola liefdesverdriet had. Ik wist niet precies wat dat was, maar het klonk heel erg. Daarna pakte ik de Story. Wat toevallig, weer een verhaal over Carola! Maar daar stond dat ze juist helemaal geen liefdesverdriet had. Ik begreep er niks van. 
Met de tijdschriften onder mijn arm als bewijs ging ik naar mijn vader. 
‘Dat zijn roddelbladen,’ zei hij. ‘Sommige dingen zullen waar zijn, maar de meeste dingen niet.’ 
‘Maar wat moet ik nou geloven?’ vroeg ik. Ik was toch een beetje bezorgd om Carola.
Mijn vader barstte in lachen uit.
‘Dat is nou juist de vraag,’ zei hij, en liep naar de keuken. 

Ik dacht aan de sla die ik al een tijd niet meer zag, aan de macaroni die mijn neus uitkwam, aan dat verre land met die rode vlag en de groene wolk, aan Gert en Hermien, aan Carola, aan liefdesverdriet, aan de man die alsmaar binnen bleef en inmiddels wel heel vies moest zijn.
Ik ging naar bed zonder te slapen, ik stond op zonder wakker te zijn en waste mij lang, heel lang aan de wastafel.