Keet

Sinds enige tijd kijk ik uit op een keet. Zo’n grote witte pipowagen, maar dan zonder Pipo en gezelligheid, geleverd met graffiti op de zijkanten en binnenin een kudde bouwvakkers.  
De keet kwam op een dinsdagmiddag. Ik weet dit omdat ik toevallig vrij was die dag, en toevallig een kopje thee zat te drinken op mijn bank. Een wagen reed de keet met een piepend geluid naar achteren en op hooguit twee meter van mijn raam vandaan kwamen er als een jack-in-the-box twee bouwvakkers uitgeklommen. Ze klapten de deur van de keet volledig open, als ware het een veranda, namen plaats rond de tafel, schonken koffie uit een thermoskan en keken tevreden de wijde wereld in. 
De wijde wereld die mijn huis heet. 
Ik zwaaide terug.

Om redenen die ons allen bekend zijn, wordt er momenteel in veel huizen verbouwd. En aangezien de meeste woningen in Amsterdam, waar ik woon, meerdere lagen hebben, is er eigenlijk in elk perceel wel sprake van een renovatie van het niveau Sagrada Família. Kanongebulder van opvouwbare heimachines wisselt af met het mitrailleurgeluid van woest slaande hamers. Een wandeling in de buurt voelt qua volume langzamerhand aan als een ommetje Aleppo. De mannetjes die verbouwen komen elke ochtend trouw uit hun keten gekropen en dan begint alles weer van voren af aan.

Overnachten ze daar ook? Waarom heet een keet eigenlijk een keet? Heeft het te maken met ‘keten’ als in: plezier maken? Met z’n allen op elkaar gepakt in een kleine ruimte (pas hiermee op, om redenen die ons allen bekend zijn!) lekker feesten? Ik heb het ze nog niet zien doen, de mannen. Als mijn mannen geen bovenwoning aan het verbouwen zijn, zijn ze a. boterhammen aan het eten uit broodtrommels b. koffie aan het drinken uit witte plastic bekertjes of c. in mijn woning aan het kijken.

Ik begon te dromen over atten uit een thermosfles, over schaften, over zichtbare bilspleten, over hoe ik voortaan mijn moeder zou groeten met een simpel maar doeltreffend ‘heuh’. 
Door hun aanwezigheid is mijn huis in feite een ander woningtype geworden. Ik beschouw mijn huis nu als een doorzon-doorzonwoning. Net als in een spiegeldoolhof kan je door de keet door mijn huis kijken en andersom. Soms weet ik niet of ik in de keet sta of dat de bouwvakkers bij mij staan, of ik thuis ben en de bouwvakkers in de keet. Het is allemaal best ingewikkeld.

’s Morgens open ik mijn gordijnen. We knikken kort naar elkaar en we pakken ieder onze dagelijkse werkzaamheden op. Vertrouwd. Dichtbij. Het enige wat ons scheidt, is het glas van mijn raam. 
Het is vreemd hoe snel het went.