Column: Moet op reis

vierkant-geel


Laatst was ik ziek en juist toen kon ik ze niet vinden. Ik bleek ze allemaal te hebben weggegeven aan mijn nog-net-iets-te-jonge neefje en nichtje. Dus toen ik op een vlooienmarkt een bak Suskes en Wiskes zag staan, pikte ik mijn lievelingsverhalen van vroeger eruit en nam ze genietend mee naar huis.
Nu lees ik iedere avond voor het slapen gaan een avontuur. Een half album weliswaar, want dan vallen mijn ogen dicht. Kwestie van leeftijd.
Ik verbaas mij over het feit dat ik de strips vroeger zo goed las. Of liever: bekeek, want vooral de plaatjes staan in mijn geheugen gegrift. Ik proef de rijstepap van tante Sidonia uit De Gouden Ganzeveer weer en ik leef mee met het groen uitgeslagen knulletje uit De Koperen Knullen. Maar toch zag ik een hoop dingen ook niet. Even afgezien van de vrouwonvriendelijke en hier en daar wat racistische inhoud, vraag ik mij vooral af: wáár gaat Jerom steeds heen?
In veel avonturen heeft Jerom de gewoonte om nèt na het motorisch moment, nèt als het verhaal begint te lopen, doodleuk met een koffertje in de hand en een hoedje op in beeld te verschijnen met de opmerking: ‘Nu geen tijd… moet op reis.’
Dan denk ik: 1. Lekker om je vrienden zo in de steek te laten en 2. Waarom koos de schrijver voor de makkelijkste weg en vooral 3. Wat voor werk doet Jerom?
Als kind schreef ik Willy Vandersteen ooit een briefje met de vraag: ‘Moeten Suske en Wiske niet naar school?’ Want ik dacht: ho wacht even, dat zou ik ook wel willen, lekker met de Gyronef op stap. De goede man schreef een heel lief briefje terug met als antwoord: ‘Als je avonturen zou lezen over Suske en Wiske die naar school gaan (…) dan zou je dat na enkele verhalen reeds vervelen’. Hij ondertekende dat met: ‘Je vriend, Willy’.
Ik vond zijn reactie toen heel plausibel.
Maar nu niet meer. Ik wil antwoorden. Er is leerplicht. Er is huiswerk. Maar vooral: WAAR GAAT JEROM STEEDS HEEN?
Volgens mij moet ik gewoon de volgende griep even afwachten.

Column: Op de camping

CampingVoorportaal van de hel. Ik geloof dat het de eerste zin was die ik als kind volledig kon uitspreken, al rondscharrelend op een camping.

Herinneringen komen­­­­ boven terwijl ik naar We zijn er bijna! van omroep MAX kijk, waar een groep bejaarden het avontuur van kamperen opzoeken. Hoe deden wíj dat, vroeger?

Eerst uren en uren op de skai-lederen achterbank van onze speelgoedblauwe Opel Kadett, reeds op voet van oorlog met broertjelief, handdoeken voor de ramen tegen de zon, kwijlend wakker worden met kauwgom in mijn haar. De belofte: als het regent, gaan we naar een motel. Maar het regende echt nooit in Zuid-Frankrijk.

Dus waren het de kinderen die de stokken in elkaar schoven, de vader die de haringen in de droge grond mepte en de moeder die zich over de inrichting van de tent ontfermde.

Tsja.

Het stof. Het gebukt staan. Hamburgers uit een pakje. Het halen van de koelelementen bij de receptie (want: pré-koelkastentijdperk) en dat de Fransman dan tegen je begint te praten. De muggen. De etensresten in de afwasteil. In een te krappe tent de teennagels van je broertje tegen je schenen voelen krassen. Zeewater happen.

De gedwongen kinderdisco’s. De kerkjes. De dorpjes. De marktjes. Lopend van douche naar tent alweer vies worden. Bij gebrek aan beter spelen met kinderen uit Limburg. Grind onderin je badpak. De vliegen. Struikelen over een scheerlijn. De hele dag tegen het ontblote bovenlijf van je vader aan moeten kijken. Boeken die opraken en dan maar Baantjer lezen. Scheurende landkaarten. Warme hagelslag. Warme melk. Warme shampoo. Campingboter. De ruzies tijdens de eerste dagen bovenop elkaars lip zitten. Groen haar van het zwemmen. Boodschappen doen in een te koude supermarché.

Kleffe, verkleurde ansichtkaarten beschrijven. Over je eigen voeten plassen op een Frans toilet. De lege zak drop. Op kronkelende bergpaden zoeken naar niet-bestaande nederzettingen. Zonnebrand tussen je vingers. Een wereldontvanger zonder bereik. Sprinkhanen in je slaapzak. Eindelijk een vriendin voor het leven vinden en dan wederom moeten verkassen want ‘in de Languedoc schijnt het ook leuk te zijn’.

Een campingpony die niet vooruit te branden is. Duitsers. Altijd je spullen kwijt zijn. Voor de eerste keer ongesteld worden en dan naar de wc moeten. Onweer in de nacht.

Chocoladecroissants met schimmel.

Afgewezen worden door kinderen uit Limburg.

Terwijl ik bij het televisieprogramma in slaap val, denk ik: het was eigenlijk toch wel leuk, vroeger.

Die mensen hebben groot gelijk.

Column: Zwaan, stervend

FullSizeRender 9

Is er überhaupt iets wat dit beest niét elegant kan? Dat vroeg ik mij vertwijfeld af toen ik naar de stervende zwaan stond te kijken. Ze dreef een stukje van de kade af, in de Kostverlorenvaart. Haar hals lag keurig opgevouwen op haar dikke verenlijf, de ogen waren niet zichtbaar.

‘Ik denk dat ze tegen een schip is gevaren,’ zei een oude vrouw. Ze zat op een bankje en droeg een beetje lippenstift.

We keken naar de zwaan als naar een lekke band: niets meer aan te doen. Technisch gezien was ze niet meer stervend dus eigenlijk al overleden. Maar zwanen horen levend te zijn, majestueus in het water, of drukdoende stervende, als een ballerina op het toneel.

‘Misschien was ze gewoon oud,’ zei ik. De vrouw reageerde niet. Een zwaan kan niet gewoon oud zijn en doodgaan aan niets.

De zon reflecteerde in het water. Ik hield een hand boven mijn ogen en keek richting de brug. Er zwom een sprietig kuiken, doelloos, bijna niet zichtbaar vanwege haar blauwgrijze kleur. Zo nu en dan keek het onze kant op.

‘Waarom zinkt ze eigenlijk niet?’ vroeg de vrouw. Achter ons klonk het gerammel van  fietsers die voorbijkwamen.

Ik keek weer naar de zwaan. Een aantal van haar veren zaten door de war, het had de structuur van een dot slagroom. Het was prachtig zoals het dobberende lichaam een mandje vormde voor haar lange hals. Er was iets ongelofelijk vredigs aan haar dood.

Is het verkeerd om daar schoonheid in te zien? Als er schoonheid zit in de dood, zit de dood dan ook in schoonheid?

Zwijgend liep ik verder. De oude vrouw bleef wachten op de dierenambulance. Het bleek dat ze eerst een cavia moesten redden in Diemen.

Eenmaal thuis bekeek ik een antieke opname van De stervende zwaan, gedanst door de ballerina Anna Pavlova. Het beeld is korrelig, maar haar lichaam steekt in het wit duidelijk af tegen de zwarte achtergrond. De snelle, kleine pasjes van haar spitzen vormen een contrast met haar weidse armbewegingen. Ze knielt op één been en plaatst haar armen in de lucht. Ze buigt haar romp sierlijk naar achteren. Heel ver naar achteren. Dan beweegt ze weer zijwaarts naar voren, waar ze even rust op haar tutu.

Het was mij duidelijk dat Anna ooit een zwaan had zien sterven.

Column: Voortuin

vierkant-blauwContact maken met mensen is niet mijn sterkste punt. En dan bedoel ik niet het voeren van een telefoongesprek, want dat kan iedere drol. Op zielsniveau nader tot elkander komen, zoals ik ooit in een spiritueel zelfhulpboek las, is andere koek. Ik heb een tip om dat te bereiken: werk je voortuin bij.

Mijn voortuin zag eruit als het kapsel van Bob Ross. Ik hou niet van het kapsel van Bob Ross.

Ik word onrustig van het kapsel van Bob Ross.

Dus gewapend met een emmer sop en een snoeischaar toog ik naar buiten.

In je voortuin word je je bewust van de geluiden van je straat. Een merel in een boom, kinderen die wedstrijdje rennen, rammelende fietsen die voorbij sjezen.

De lavendel bleek weerbarstig. Sommige takken waren zo eigenwijs dat zelfs mijn snoeisnaar tegensputterde.

‘Wat ga jij met Pasen doen?’ vroeg een stem. Het lichaam van mijn bovenbuurvrouw vormde een schaduw over de planten.

Nou weet ik nooit wat ik met dit soort kappersvragen aan moet. Ik bleek er gelukkig niets mee te hoeven, want ze wou vooral zelf vertellen wat ze met Pasen ging doen.

Ze verdween weer. Ik keek naar mijn handen. Hier en daar was mijn huid opengehaald.

Even later kwam er een oude man voorbij met een hond.

‘Ik word hier zo blij van,’ zei hij. Hij had een licht Slavisch accent en bleek het tegen mij te hebben.  ‘Vroeger was het in deze buurt niets dan neuken en drugs en rock-‘n-roll,’ lichtte hij toe. ‘Nu maken mensen hun voortuin netjes.’ Hoofdschuddend liep hij verder.

Na het temmen van de lavendel ging ik over op het zemen van de ramen, toen ik achter mij een auto hoorde remmen. Uit de zijkant stak een heksenbezem en er verscheen een oranje man.

‘Moet dit weg, mevrouwtje?’ Hij wees naar de stapel takken. Ik knikte. Binnen een paar zwiepen had hij alle takken in zijn gemeentewagen gegooid.

‘Je bent lief,’ zei ik.

Fluitend reed de man weg.

Pas toen ik besefte dat ik het elektriciteitshuisje stond af te soppen, ging ik weer naar binnen. Zie je wel, dacht ik. Contact maken op zielsniveau kan iedere drol.