Alles tegelijk

Het is weekend, 11:00 uur. Rechts hangt nog wat versiering, het is de dag na mijn twaalfde verjaardag. Ik maak deze foto met mijn nieuwe rode fototoestel tijdens een koffiemoment van mijn ouders, de suikerpot is nog zichtbaar op de voorgrond. 

De man in de stoel is natuurlijk mijn vader, 37 jaar, destijds in mijn ogen stokoud. Hij is blijkbaar erg serieus in gesprek.
Wij bezitten dus in 1990 een hippe, staande grammofoonspeler en rechts van de kast (die om een duistere reden ‘kaaskast’ werd genoemd) staat zelfs nog een bandrecorder. Het zou nog twee jaar duren voordat de CD’s bij ons hun intrede deden. Tussen de boeken herken ik de Agatha Christie-reeks van mijn moeder en ook staat er wat koperwerk, dat elk jaar netjes werd gepoetst.

Als je je ogen samenknijpt, zie je bijna hoe de slinger van de klok heen en weer zwiept, hoe mijn vader zo meteen op zal staan om zijn typerende kuchje te laten horen, naar de klok loopt om ‘m op te winden maar zich bedenkt omdat het nog niet nodig blijkt te zijn.

Wat kan je als mens terugverlangen naar die simpele, kleine en liefdevolle tradities van toen, naar de aanwezigheid van een man die morgen alweer dertien jaar dood is. 
‘Tien jaar is niks,’ zei m’n vader altijd, en ik dacht dan: ja ja, ouwe bok, het zal wel. 
Maar ik had ongelijk. Dertien jaar is niks. En alles tegelijk.