Column: Op de camping

CampingVoorportaal van de hel. Ik geloof dat het de eerste zin was die ik als kind volledig kon uitspreken, al rondscharrelend op een camping.

Herinneringen komen­­­­ boven terwijl ik naar We zijn er bijna! van omroep MAX kijk, waar een groep bejaarden het avontuur van kamperen opzoeken. Hoe deden wíj dat, vroeger?

Eerst uren en uren op de skai-lederen achterbank van onze speelgoedblauwe Opel Kadett, reeds op voet van oorlog met broertjelief, handdoeken voor de ramen tegen de zon, kwijlend wakker worden met kauwgom in mijn haar. De belofte: als het regent, gaan we naar een motel. Maar het regende echt nooit in Zuid-Frankrijk.

Dus waren het de kinderen die de stokken in elkaar schoven, de vader die de haringen in de droge grond mepte en de moeder die zich over de inrichting van de tent ontfermde.

Tsja.

Het stof. Het gebukt staan. Hamburgers uit een pakje. Het halen van de koelelementen bij de receptie (want: pré-koelkastentijdperk) en dat de Fransman dan tegen je begint te praten. De muggen. De etensresten in de afwasteil. In een te krappe tent de teennagels van je broertje tegen je schenen voelen krassen. Zeewater happen.

De gedwongen kinderdisco’s. De kerkjes. De dorpjes. De marktjes. Lopend van douche naar tent alweer vies worden. Bij gebrek aan beter spelen met kinderen uit Limburg. Grind onderin je badpak. De vliegen. Struikelen over een scheerlijn. De hele dag tegen het ontblote bovenlijf van je vader aan moeten kijken. Boeken die opraken en dan maar Baantjer lezen. Scheurende landkaarten. Warme hagelslag. Warme melk. Warme shampoo. Campingboter. De ruzies tijdens de eerste dagen bovenop elkaars lip zitten. Groen haar van het zwemmen. Boodschappen doen in een te koude supermarché.

Kleffe, verkleurde ansichtkaarten beschrijven. Over je eigen voeten plassen op een Frans toilet. De lege zak drop. Op kronkelende bergpaden zoeken naar niet-bestaande nederzettingen. Zonnebrand tussen je vingers. Een wereldontvanger zonder bereik. Sprinkhanen in je slaapzak. Eindelijk een vriendin voor het leven vinden en dan wederom moeten verkassen want ‘in de Languedoc schijnt het ook leuk te zijn’.

Een campingpony die niet vooruit te branden is. Duitsers. Altijd je spullen kwijt zijn. Voor de eerste keer ongesteld worden en dan naar de wc moeten. Onweer in de nacht.

Chocoladecroissants met schimmel.

Afgewezen worden door kinderen uit Limburg.

Terwijl ik bij het televisieprogramma in slaap val, denk ik: het was eigenlijk toch wel leuk, vroeger.

Die mensen hebben groot gelijk.